Heeft u een vraag over emissies of de werkwijze van de Emissieregistratie? Hieronder vindt u antwoorden op veelgestelde vragen.

De NIR is het rapport met de inventarisatie van broeikasgasemissies (zoals CO2 en methaan). De IIR is het rapport met de inventarisatie van emissies van luchtverontreinigende stoffen als fijnstof, stikstofoxiden en ammoniak. Lees meer informatie over de NIR of de IIR.

De emissiecijfers voor broeikasgassen gaan over de betreffende stof in kg. Om ze met elkaar te kunnen vergelijken, moeten ze nog worden omgerekend in CO2-equivalenten via de Global Warming Potentials (GWP’s): bijvoorbeeld 25 voor methaan en 298 voor N2O.

De cijfers in de sectortabellen staan wel uitgedrukt in CO2-equivalenten. 

In de nabije toekomst komen de broeikasgasemissiecijfers ook in CO2-eq beschikbaar.

Dit zijn meerdere manieren voor het bepalen van de emissies van broeikasgassen.  De Emissieregistratie onderscheidt 2 compartimenten naar lucht: 'lucht'  en 'lucht volgens IPCC'.

Het compartiment 'Lucht' beschrijft alle feitelijke emissies die hebben plaatsgevonden op Nederlands grondgebied, procesemissies en verbrandingsemissies afkomstig van alle soorten brandstoffen. Ook biobrandstoffen, zodat kortcyclisch CO2 ook is inbegrepen. Verder betreft het alle soorten bronnen: stationair en mobiel.

Het compartiment 'Lucht volgens IPCC' toont emissies zoals bepaald op basis van de internationale richtlijnen van het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC). Elk land is verplicht aan de hand van deze richtlijnen zijn emissies naar lucht te rapporteren in de National Inventory Report (NIR). Er is hier sprake van een totaal andere wijze van berekenen dan bij compartiment 'Lucht', voornamelijk gebaseerd op inzet van fossiele brandstof met standaard IPCC-emissiefactoren. Daardoor wordt de emissie van kortcyclisch CO2 niet meegenomen. Dit is internationaal zo vastgelegd: vanwege hun kortcyclische karakter worden deze emissies geacht netto geen bijdrage te leveren aan de broeikasgasproblematiek. Er zijn nog meer verschillen, onder andere op gebied van zeescheepvaart.

Ook hier betreft het zowel stationaire als mobiele bronnen. Omdat de berekening is gebaseerd op de inzet van fossiele brandstof over de sectoren heen, en niet op puntbronnen met een gedefinieerde locatie, zoals onder compartiment 'Lucht', kunnen de emissies onder dit compartiment ook niet ruimtelijk verdeeld worden.

Lees een uitgebreide uitleg van de CLO.

Bedrijven komen individueel, als zogenoemde puntbron, in de Emissieregistratie als zij vallen onder de reikwijdte van het E-PRTREuropean Pollutant Release and Transfer Register. Een bedrijf valt onder de reikwijdte van E-PRTR als er een of meerdere van de activiteiten plaatsvinden die zijn opgenomen in bijlage 1 van de E-PRTR-verordening. Indien een van de aanwezige emissiestoffen is opgenomen in de Stoffenlijst Integraal PRTR-verslag en de bijbehorende drempelwaarde van de emissiejaarvracht is overschreden, moet deze wettelijk verplicht gerapporteerd worden. De drempelwaarden zijn destijds zodanig gekozen dat de registrerende bedrijven 85-90% van de totale emissie door bedrijven bestrijken. Komt een emissie boven de betreffende drempel uit? Dan is het bedrijf wettelijk verplicht haar emissies registreren via het elektronisch Milieujaarverslag (e-MJV). Degene die dient te controleren of dit inderdaad gebeurt, en of emissies correct worden gemeten of bepaald, is het bevoegd gezag. Dat is bijna altijd de betreffende provincie of gemeente (vaak met uitbesteding naar Regionale Uitvoeringsdiensten) voor de emissies naar lucht. Voor de emissies naar water zijn dit de waterschappen of Diensten Rijkswaterstaat.

 

Voor de overige bedrijven (10-15%) waarvan de individuele emissiegegevens onder de rapportagedrempel ligt, wordt gebruikgemaakt van diverse statistische gegevens om de emissies te berekenen (ook wel bijschatting genoemd). Deze bijschatting wordt door de Emissieregistratie jaarlijks berekend. Het gaat bij de bijschatting om ongeveer 10-15% van de totale bedrijfsemissies.

Fijnstof, ook wel PM10 of PM2.5 genoemd, is een verzamelterm voor luchtverontreinigende vaste en vloeibare deeltjes die kleiner zijn dan respectievelijk 10 of 2.5 micrometer. Condenseerbaar fijnstof bestaat vooral uit organische stoffen die binnen enkele meters na het verlaten van de schoorsteen afkoelen en condenseren tot deeltjes in de lucht (aerosolen). Een uitgebreide uitleg staat bij het onderwerp condenseerbaar fijnstof.

Omdat er 2 jaar zitten tussen een emissiejaar en de publicatie van de definitieve emissiecijfers daarover, publiceert de Emissieregistratie ook voorlopige emissiecijfers. Voor het betreffende jaar t (met t het jaar van uitstoot) worden die geschat in het jaar t+1. Voor de emissies in jaar 2020 worden bijvoorbeeld rond de zomer van het jaar 2021 de voorlopige cijfers gepubliceerd. Hierbij worden aan de al vastgestelde reeks emissiecijfers 1990-(t-1) alleen voor het jaar t (2020 in het voorbeeld) voorlopige cijfers toegevoegd. 

Deze voorlopige cijfers worden een jaar later vervangen door de definitieve cijfers. Daarbij is het mogelijk dat ook emissiecijfers uit voorgaande jaren in de reeks worden bijgesteld. Bijvoorbeeld als gevolg van methodiekwijzigingen of foutcorrecties. Wanneer een emissiecijfer op de website voorlopig is, staat dat erbij.

Lees een uitgebreide uitleg over de voorlopige en definitieve emissiecijfers.

Ieder jaar worden de emissiecijfers ruimtelijk verdeeld over Nederland. Dit levert een grote database op. Er is voor gekozen om alleen data te tonen van de jaren die een veelvoud zijn van 5. Dit zijn de zogeheten steekjaren.

De ruimtelijk verdeelde emissies en nationale totalen worden getoond voor alle steekjaren vanaf 1990 tot het laatste veelvoud van 5 voorafgaand aan het actuele emissiejaar, plus de laatste 2 jaren.

Bijvoorbeeld:

  • Voor het jaar 2019 worden getoond: de jaren 1990, 1995, 2000, 2005, 2010, 2015, 2018 en 2019.

De ruimtelijke verdelingen en nationale totalen voor de tussenliggende jaren, bij de getoonde reeks bijvoorbeeld 2012 of 2017, worden bewaard maar niet getoond. U kunt ze wel opvragen.

Let op:

  • U kunt niet zonder meer vergelijkingen tussen ruimtelijke verdelingen in een reeks maken. Dit geldt vooral voor vergelijkingen tussen de recente en oudere jaren (vóór 2010). Binnen een getoonde reeks van jaren zijn de nationale totalen consistent. Dat betekent dat voor een specifieke emissie (bijvoorbeeld ammoniak uit stallen) voor alle jaren dezelfde methode is gebruikt om de emissie te berekenen. De ruimtelijke verdeling binnen een getoonde reeks hoeft echter niet consistent te zijn. Dat betekent dat de achterliggende methode om een emissie te verdelen per getoond jaar soms sterk kan verschillen. Dit hangt samen met de beschikbaarheid van gegevens en de ontwikkeling van methodes om verdelingen te maken.  Zoals krachtiger geografische informatiesystemen en nieuwe modellen.
  • Bij de broeikasgassen worden alleen de feitelijke emissies ruimtelijk verdeeld. Emissies volgens IPCCIntergovernmental Panel on Climat Change worden alleen berekend voor nationale totalen. Hiervoor zijn dus geen ruimtelijke verdelingen beschikbaar.

Het hele proces van het tot stand komen en openbaar maken van de definitieve emissiecijfers kent een lange doorlooptijd. Voor de bepaling van de emissies van het jaar t hebben we onder andere gedetailleerde statistische gegevens nodig die vaak pas in de tweede helft van het jaar t+1 met voldoende nauwkeurigheid beschikbaar komen. Wel worden in de zomer van ieder jaar al voorlopige cijfers gepubliceerd over het jaar ervoor. In maart worden sinds 2021 ook voorlopige broeikasgasemissiecijfers gepubliceerd, gebaseerd op CBS-kwartaalramingen.

Ter illustratie van de doorlooptijd beschrijven we hier het proces voor het tot stand komen van de bedrijfsemissies.

Bedrijven rapporteren jaarlijks hun emissies via de elektronische Milieujaarverslagen (e-MJV’s). Bedrijven hebben na afloop van een emissiejaar drie maanden de tijd om hun e-MJV in te vullen. Daarna volgen controleslagen door de Emissieregistratie en door het bevoegd gezag, die de emissiecijfers uiteindelijk moet accorderen. Hierna zijn deze cijfers eind augustus definitief. Vervolgens kunnen pas de rekenslagen worden gedaan waarmee de bijschatting wordt bepaald. Na een uitgebreide trendanalyse inclusief foutcorrectie worden alle emissie cijfers vervolgens ruimtelijk verdeeld over Nederland. Al deze processen kosten tijd en kunnen niet gelijktijdig plaatsvinden. Daardoor duurt het even voordat de definitieve cijfers openbaar beschikbaar zijn in het dataportaal van deze website.

Naast nationale totalen (emissies voor heel Nederland) heeft de emissieregistratie ook gegevens over de ruimtelijke verdeling, bijvoorbeeld per gemeente of per waterschap. Hiervoor worden verschillende methodes gebruikt.

Voor bedrijven die voor het e-MJV verplicht zijn hun emissies op te geven, kunnen de emissies direct aan de bedrijfslocatie worden gekoppeld. Dit geldt ook voor zuiveringsinstallaties. Daarnaast wordt er gebruik gemaakt van diverse modellen, die de uitkomsten ruimtelijk verdeeld presenteren. Deze worden onder meer gebruikt bij emissies van bestrijdingsmiddelen en emissies van stikstof en fosfor naar oppervlaktewater.

Voor emissies door bijvoorbeeld landbouw, verkeer of woningverwarming is er geen directe koppeling mogelijk met alle bronnen. Het is namelijk simpelweg niet haalbaar om de emissie van elke auto, stal of ketel direct te meten. De verdeling van deze ‘diffuse’ emissies wordt in beeld gebracht via ‘verdeelsleutels’. Dit zijn benaderingen van de werkelijke emissieverdeling op basis van gegevens die een duidelijke koppeling hebben met de emissies. Zoals verkeersintensiteit, bevolkingsdichtheid of dieraantallen. Eén verdeelsleutel kan voor de verdeling van meerdere stoffen worden gebruikt.

Onder ‘documentatie is op deze website voor ieder type ruimtelijke verdeling (verdeelsleutels, modellen en puntbronnen) een apart factsheet beschikbaar. Ook is er een overzicht opgenomen van de koppeling tussen bronnen (emissieoorzaken) en de gebruikte verdelingen.

Landgebruik, landgebruiksverandering en bossen spelen een belangrijke rol in de mondiale klimaatproblematiek. De manier waarop land en bossen gebruikt worden heeft een grote impact op het klimaat.

Groeiende bossen en vegetatie verwijderen CO2 uit de atmosfeer en leggen daarbij koolstof vast in biomassa (hout) en bodems. De manier waarop met het land wordt omgegaan bepaalt in welke mate bossen, andere vegetatie en bodem koolstof kunnen vastleggen en of en hoe lang die koolstof daarin vastgelegd blijft. Aanplant van nieuw bos (bebossing), goed beheer van bestaand bos en vegetatie en goed beheer van bodems zal bijdragen aan toenemende verwijdering van CO2 uit de atmosfeer in koolstofreservoirs van de LULUCF-sector. Maar andere landgebruiksveranderingen, zoals ontbossing, intensief gebruik van de bodem of ontwatering van veenbodems zullen bijdragen aan extra verlies van de in biomassa en bodem vastgelegde koolstof, met CO2-emissies tot gevolg.

Voor meer informatie over landgebruik, landgebruiksverandering en bosbouw (LULUCF) en hoe emissies en verwijderingen worden bepaald, zie deze interactieve pdf.

Andere vraag?

Vul dan het contactformulier in.